Mevrouw, Mijnheer,
Op deze achtste mei, hoogdag van het anti-fascisme, wil ik op de allereerste plaats eer betuigen aan al die « terroristen », die in het anti-fascistisch verzet hebben gestreden en er hun leven voor hebben gegeven. Hun strijd heeft de bevrijding van Europa, nu 61 jaar geleden, mogelijk gemaakt. Zij zijn voor de bescheiden strijd die ik lever de onuitputtelijke bron van inspiratie, voor wat zij noemden « les lendemains qui chantent », voor een gelukkige en vrije toekomst. Tijdens mijn reizen naar Turkije heb ik kunnen ontdekken dat de DHKC precies voor een dergelijke toekomst vecht. Ze doen dit met dezelfde zelfopoffering als de Helden van het Verzet.
Mijn sympathie voor de DHKC vertaalde zich in België in een volgehouden engagement om de strijd van de DHKC te doen kennen onder de Belgische democraten.
Mijn strijdmiddelen zijn altijd en onweerlegbaar vreedzaam van aard geweest. Maar als men de verbetenheid bekijkt waarmee het Belgisch gerecht me probeert te straffen, dan krijgt men de indruk dat ik wel de een of andere verschrikkelijke “misdaad” op mijn geweten moet hebben.
Wat is dan die “misdaad” ?
De enige “misdaad” die mij ten laste kan worden gelegd is de organisatie of de deelname van betogingen, symbolische protestacties, persconferenties, petities, hongerstakingen, seminaries, symposiums, inzameling van medicamenten, ontmoetingen met Belgische parlementairen of Europarlementsleden, opsturen van delegaties om de toestand in de Turkse gevangenissen te inspecteren, fototentoonstellingen, concerten en filmprojecten.
Samengevat : opiniedelicten, de “misdaad” om de meest onschuldige vorm van solidariteit te hebben georganiseerd. Zelfs de meest laffe mens zou zich niet bedreigd voelen door dit soort activiteiten. Alleen het soort roofdieren van het slag van Hitler, Pinochet, Evren of Bush, die komaf willen maken met de vrijheid, kunnen zich hierdoor bedreigd voelen.
En toch zijn het de staten die zich democratisch noemen, die tegen mij tekeer gaan onder het goedkeurend oog van de Turkse “democratuur”. Ik zit nu gevangen in Nederland.
Ik ben er sinds 11 dagen in hongerstaking. Mijn aanhouding zou ingegeven zijn door een international aanhoudingsmandaat, dat werd uitgevaardigd door de Turkse staat, omdat ik, op 28 november 2000, in het Europees parlement de Turkse minister van buitenlandse zaken Ismaël Cem heb uitgejouwd. Ik heb daar pamfletten rondgestrooid en slogans geroepen. Ik wilde aanklagen wat de Turkse regering wou doen tegen de politieke gevangenen. Iedereen heeft kunnen vaststellen dat dit geen verzinsel was : drie weken na dit voorval heeft de Turkse regering de meest moorddadige aanval ingezet die we in de geschiedenis van het land hebben gekend.
Mijn actie heeft in België niet de minste gerechtelijke vervolging tot gevolg gehad.
Maar blijkbaar oordeelt Nederland daar anders over. Nederland houdt mij nu gevangen en weigert mij vrij te laten omdat ze vrezen dat ik zal vluchten en dat ik niet zal verschijnen op het proces dat moet beslissen over mijn uitlevering.
De Turkse staat eist tegen mij 15 jaar opsluiting in een van zijn beruchte sterfputten, die de naam dragen van “gevangenissen van het type F”. 122 militanten hebben hun protest tegen dit soort gevangenissen al met hun leven betaald.
België heeft mij al een eerste keer veroordeeld tot 4 jaar opsluiting, enkel en alleen om een communiqué van de DHKC te hebben vertaald en verspreid.
Om samen te vatten :
het lijkt er wel op of de Turkse staat mijn hoofd wil, de Belgische staat mijn romp en de Nederlandse staat mijn benen. Ik weet echt niet hoe deze internationale operatie om mij te lynchen en aan stukken te trekken zal aflopen…
Wat ik wel weet is dat ik mijn beslistheid wil herbevestigen om het heilig en onvervreemdbaar recht te verdedigen om weerstand te bieden tegen de onderdrukking. Wat de Turkse folteraars, wiens toga’s de vlekken dragen van het bloed van mij kameraden, of wat hun Europese acolyten daar ook van mogen vinden.
Mevrouwen, Mijne Heren van het Hof,[...] Ik vraag U om nooit de volgende dodende realiteit te vergeten :
“Vooraleer men de mensen heeft gedood, heeft men hen eerst beroofd van al hun rechten.”
Met hoogachting
Bahar Kimyongür.